1000 jaar strijd tegen het water in Zoetermeer – inleiding fietsroute

Zoetermeer onder de zeespiegel

Er was eens … een onderzeebootkapitein uit Canada op bezoek bij een collega in Zoetermeer. ’s Avonds zaten ze gezellig met een jenevertje in de hand te praten over hun vak en de omgeving. De Zoetermeerse kapitein vertelde over Nederland en dat een groot deel van het land zich onder zeeniveau bevindt. Hoewel de Canadese collega toch wel water boven zich gewend was, informeerde hij waar dan wel de roeiboot was. De Zoetermeerder wees naar de opblaasboot van zijn kinderen. ‘Hoe ver zitten we dan onder zeeniveau?’ ‘Een meter of vijf’ kreeg hij als antwoord. Wat bleekjes om de neus zocht hij zijn logeerbed op, nog altijd -/- 2,5 m NAP. De andere ochtend boekte hij direct een hooggelegen hotelkamer in Rotterdam, zijn Zoetermeerse collega in verbazing achterlatend.

Dit waargebeurde verhaal geeft aan dat wij met z’n allen helemaal gewend zijn aan het dagelijkse water om ons heen: in de vorm van regen, sloten, drinkwater tot leven achter en onder dijken. Hoe is dat zo gekomen? Wat hebben we er mee gedaan?

1000 jaar geleden

Een millennium geleden lag er hier tussen de zanderige kuststrook en de stad Utrecht een enorm moeras. Er woonde op een enkele visser of jager na niemand. Zelfs de Romeinen 1000 jaar eerder hadden zich verplaatst via de Oude Rijn en de Gracht van Corbulo, ongeveer de huidige Vliet. Zo konden ze hun forten langs de rivier bereiken alsook de handelsplaats Forum Hadriani ofwel Voorburg. Er liepen wat wegen over het zand en langs de Oude Rijn waren ingenieurs nodig geweest om een goed begaanbare landweg voor soldaten en kooplieden aan te leggen.

De haven aan de Leidsewallen tijdens een winter voor 1957

Ontstaan van Zoetermeer

Het moeras werd ongemoeid gelaten totdat een groei van het bevolkingsaantal grond schaars maakte. Bovendien waren de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht op zoek naar uitbreiding van hun grondgebied, lees macht en geldinkomsten. Het tussenliggende moeras gaf mogelijkheden en ze gaven groepen mensen of hun adellijke vertrouwelingen toestemming om delen van het moeras te ontginnen.

Het makkelijkste was dat vanuit de rivieren en andere bevaarbare wateren. In deze omgeving lag een groot zoetwatermeer dat via de nog steeds bestaande Weipoortse Vliet verbonden was met de Oude Rijn. Op de oevers van het meer gingen mensen rond het jaar 1000 het moeras ontwateren door sloten te graven en het land vrij te maken van struiken en bomen. Ze legden akkers aan en weidden vee. Het begin van een nederzetting kreeg een naam passend bij het meer: Zoetermeer.

binnenvaartschip op de buurvaart in Zoetermeer
Een binnenvaartschip op de buurvaart voor Dorppsstraat 202

Zegwaart

In het oosten ontstond een andere ontginning, genaamd naar de grasachtige moerasplant Zegge. De bewoners in dit Zegwaart ontgonnen vanaf het begin van de 12de eeuw het moeras vanuit een aangelegde kade, de Zegwaartseweg. Het land werd verdeeld in stroken. Een van de stroken lag langs de kade of weg naar Zoetermeer. Dat werd in de 13de eeuw de Dorpsstraat, waar zich naast boeren vooral handelaren en ambachtslieden vestigden.

Wateroverlast en samenwerking

De boeren werkten dagelijks op hun land dat bestond uit de voormalige moerasgrond, veen genaamd, een sponsachtig materiaal bestaande uit afgestorven planten. Door het te ontwateren en daardoor begaanbaar te maken nam de massa af én kwam het veen met zuurstof in aanraking waardoor de ontbinding veel harder ging. Dat betekende een langzame daling van het land. Het water uit het hoger gelegen onontgonnen moeras in de omgeving liep vrij naar dat lagere land en gaf overlast. De boeren moesten vervolgens aan het eind van hun land kaden opwerpen om dat water tegen te houden. Dat werden onder meer de Voorweg en Leidse- en Delftsewallen en Oostkade.

Het overtollige regenwater werd afgevoerd langs de bestaande wateren: Zoetermeerse Meer, Noord-Aa, Weipoortse Vliet, Oude Rijn en de Noordzee. Iedereen gaf dus zijn water aan de buren door en dat gaf veel ruzie. Groepen boeren gingen samen werken en legden lage kaden om hun land om water van anderen tegen te houden en met kleine sluizen lieten ze bij laag buitenwater hun water afvloeien. Ook hozen was mogelijk maar kostte veel inspanning.

De voortdurende ontwatering leidde tot verdere inklinking van het veen. Bij Zoetermeer-Zegwaart lag het veen oorspronkelijk enkele meters boven NAP, na een paar eeuwen lag het maaiveld onder NAP. Water was steeds moeilijker te lozen en toen verzandde ook nog eens de monding van de Oude Rijn bij Katwijk. De afwatering moest nu via Spaarndam en het IJ plaats vinden en samenwerking met de gehele regio was na 1200 noodzakelijk. Dit was het begin van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

zicht op de Meerpolder die is drooggelegd in de strijd tegen het water
Zicht op de Meerpolder vanuit Snowworld

Vervening

Zoetermeer en Zegwaart lagen op de rand van Rijnland. Het gebied ten zuiden daarvan waterde en watert af op de Maas/Merwede en zuidoostelijk op de Gouwe en IJssel. De ontstane hoogheemraadschappen scheidden hun watersystemen af door dijken aan te leggen, de zogeheten Landscheidingen. Met name Zegwaart lag in een uithoek en kreeg haar water niet meer weg. Vanaf 1373 kregen de bewoners toestemming om hun water af te voeren via een ander hoogheemraadschap, dat van Schieland. Sindsdien watert het oosten van Zegwaart, zeg maar Oosterheem, Dorp en een deel van Rokkeveen, af op de Rotte. Het land bleef onder Rijnland en dat gaf competentiegeschillen en belastingruzies totdat het gebied in 1851 bij Schieland werd gevoegd.

Ondertussen bleven de boeren last hebben van een moeizame afwatering. Een pestepidemie midden 14de eeuw doodde een derde deel van de bevolking in Europa en leidde tot een vermindering in de vraag naar voedsel. De slechtere veengronden waren minder nodig. De veengrond echter bood nieuwe kansen omdat in de steden meer vraag kwam naar energie. De brandstof turf lag hier voor het oprapen en ook nog een in de buurt van de steden. Turf was gedroogd veen en eeuwenlang gingen jaarlijks vele miljoenen turven naar vooral de bierbrouwerijen, lakennijverheid en steenbakkerijen. Eerst werd het veen afgegraven, vanaf circa 1530 baggerde men onder de waterspiegel het veen weg, liet het drogen, sneed het in blokken, waarop de turven per schip naar de handelaren gingen.

Al dat graven en baggeren leidde tot metersdiepe plassen met hier en daar een hoge weg daarbovenuit stekend waaraan wat huizen lagen. In deze omgeving waren dat onder meer de Voorweg, Dorpsstraat en Zegwaartseweg. De omgeving leek op de hedendaagse Reeuwijkse Plassen.

baggeren en drogen van turf in Zoetermeer 18e eeuw
Schilderij van het baggeren en drogen van turf, H.W. Schweickhard 1783 (Rijksmuseum SK-A-4946)

Droogmakingen

In de 17de eeuw kwam de technische kennis en het kapitaal om die enorme plassen droog te malen. Men bouwde dijken om de plassen heen, met een vaart erin voor de scheepvaart. Vervolgens kwam er een rij molens die elk met hun scheprad telkens het water 1,5 meter hoger naar de volgende molen opwierpen. Zo werd in de strijd tegen het water het Zoetermeerse Meer in 1616 de Meerpolder, in 1674 volgde de Driemanspolder tot aan Wilsveen toe en in de 18de eeuw volgden de meeste andere plassen. Zo ontstonden de Binnenwegse Polder (Oosterheem, Dorp, deel Rokkeveen), Palensteinse Polder (Palenstein, Seghwaert en Noordhove) en de Nieuwe Drooggemaakte Polder (Buytenwegh-de Leyens). Er is echter meer dan alleen water in sloten en plassen. We komen het ook tegen als drinkwater en als afvalwater.

Ander water

Drinkwater haalden de bewoners eeuwenlang uit de sloot, de gegraven put of men ving regenwater op. Zolang er niet te veel mensen in een gebied wonen gaat dat goed, ook al deed men de was in dezelfde sloot en loosde men daar ook het afval in. Bij een groeiend bevolkingsaantal reinigt het water zich niet meer op natuurlijke wijze en kunnen ziekten ontstaan. Daarom dronken vele mensen dagelijks ook licht bier. In de 19de eeuw zorgde het verontreinigde water voor de verspreiding van onder meer cholera. In 1921 gingen tien gemeenten samenwerken om schoon water uit de duinen met leidingen in de huizen van de burgers te krijgen. Een grote voorraadbak op hoogte was nodig om druk op de leidingen te houden. Deze watertoren kwam in 1928 aan de Stationsstraat te staan.

Afvalwater ging altijd de sloot in richting de Oude Rijn en de Rotte. Met de bouw van de wijk Dorp in de jaren (19)50 verontreinigde het oppervlaktewater sterk. Een rioleringsstelsel was noodzakelijk, een zuiveringsinstallatie verrees in 1959 aan de Rokkeveenseweg.

Daarnaast werd het water nog voor iets heel anders gebruikt, namelijk scheepvaart. Tot de jaren 19(30) waren de wegen veelal ongeschikt voor bulkvervoer en gebruikte men schepen. In Zoetermeer voeren schippers over de weteringen in de ringdijken van de polder, zoals langs de Voorweg, de Zegwaartseweg en over de Buurvaart rondom de Dorpsstraat. Aan de Leidsewallen lag een haventje en vandaaruit kon je noordelijk richting de Vliet en de Oude Rijn varen. Totdat de auto het vervoer ging overnemen en in 1957 de sluis aan het einde van de Leidsewallenwetering permanent dicht ging.

rioolwaterzuivering met idee voor bouldering
Rioolzuivering bij het rioolgemaal aan de Rokkeveenseweg. Met een idee voor hergebruik met klimwand (Onderdeel ontwerpstudie Rokkehage: Experimenteer en creëer! beeld: Digital Artlab CKC)

Nieuwe stad en de strijd tegen het water

De in 1935 gefuseerde tweelingdorpen Zoetermeer en Zegwaart groeiden vanaf 1966 in snel tempo uit tot een stad van meer dan 125.000 inwoners. Opvallend is dat de afwatering nog vrijwel identiek is aan acht eeuwen geleden: het westelijk deel watert af op de Oude Rijn en Vliet, het oostelijke en zuidelijke deel loost het overtollige water op de Schielandse Rotte. Een klein stukje van Rokkeveen raakt haar water kwijt aan Delfland.

Wel zijn voor 1925 de circa 37 watermolens met hun wiekenvlucht van 28 meter allemaal verdwenen, op wat molenstompen na. Electrische gemalen hebben al het werk overgenomen. Alleen bij Wilsveen staan nog drie overgebleven watermolens van de Driemanspolder.

De handhaving van de eeuwenoude waterafvoer ging ook met andere aanpassingen gepaard. De Zoetermeerse Plas die het vele zand voor het bouwen leverde, fungeert nu als waterbuffer. Het enorme gemaal De Leyens werpt het water uit de wijken Driemanspolder, Meerzicht en Buytenwegh-de Leyens naar de Plas. In de wijken Palenstein, Seghwaert en Noordhove gaat het water richting Slootweg naar gemaal Palenstein die dat loost op de oude vaarwegen naar de Vliet en Oude Rijn. En bij droogte zorgt een pomp in de Zoetermeerse Plas voor water in de Leidsewallenwetering van waaruit het via de hoge weteringen in de sloten en singels wordt ingelaten. Het leukste is dat te zien bij de ‘waterval’ in de Zegwaartseweg bij de Australiëweg.

uitgraven Zoetermeerse plas voor zandwinning bouw nieuwe stad
Het uitgraven en zuigen van de Zoetermeerse Plas in de jaren (19)70 om zand te winnen voor de bouw van nieuwe wijken. Links de Leidsewallen, zanddepots, in het midden de eerste vormen van een plas en de zuiger, de Broekweg en rechts een deel van de Meerpolder, te herkennen aan de ovale vorm

Toekomst van het Stadshart en klimaatadaptatie: groene en blauwe daken?

Groene daken houden bij regen het water langer vast dan gewone daken. Met een extra reservoir waarin regenwater wordt opgeslagen, bijvoorbeeld onder het groen, wordt het dak een echt blauw dak. Zo wordt wateroverlast beter tegengegaan bij forse regenbuien. Bovendien verlaagt een groen dak de omgevingstemperatuur, zorgt het voor schonere lucht, meer biodiversiteit en gaat het dak langer mee. Hoewel Zoetermeer een hele groene stad is, is het Stadshart steenachtig. Groene daken zouden het Stadshart leefbaarder, hitte- en waterbestendiger maken. Wanneer de (parkeer)daken voor mensen toegankelijk worden gemaakt, dan is de combinatie van groene daken met kunst en cultuur heel aantrekkelijk, spannend en romantisch tegelijk. Er zijn verrassend veel mogelijkheden voor groene daken in Zoetermeer: op parkeerdekken, winkels, kantoren, scholen, maar ook op particuliere woningen en schuurtjes!

Groen cultuurdak door lg architecten
Idee voor een groen cultuurdak in het Stadshart door LG architecten

Wonen aan het water

Een tuin aan het water of uitzicht op een waterpartij geeft een woning een extra kwaliteit. Op veel plekken in Zoetermeer wordt aan het water gewoond. Ook langs de fietsroute van de Dag van de Architectuur 2021 – fietsen onder de zeespiegel – staan veel huizen langs het water. Een paar prachtige locaties op deze route:

Hofstede Meerzicht, de koepelwoningen in Meerzicht, woningen met ‘kuif’ aan de Floraplas, diverse locaties langs het Heemkanaal, ‘Het Bastion’ in de Benthuizerplas (16) en bijvoorbeeld langs de Leidsewallenwetering in Seghwaert.

Architectuur punt zoetermeer wonen en groen
Heemkanaal Oosterheem